Ooit had ik een soort droom. Of ik sliep of niet, ik weet het niet. Wel weet ik dat het van God kwam. Anne van der Bijl zei eens: Als God tot je spreekt, vergeet je ’t nóóit meer! En deze droom ben ik nooit vergeten, nog sterker: hij kwam verschillende keren terug, maar dan uitgebreider.
Er was een sleepboot, die worstelde met een ouderwets sleepschip (een ‘kast’ in jargon) om deze tegen de vloedstroom in uit de haven van Hansweert te trekken en richting Terneuzen te draaien via de Overloop van Hansweert, een vaargeul in de Westerschelde. Ik zag het gebeuren vanuit de lucht, vanuit het oosten in westelijke richting. Ik zag hoe de sleepdraad brak en de sleepboot verdween. Ik zag hoe achter op de ‘kast’ op het roefdek (een stuurhut was er niet) een groep mensen in grote angst bij elkaar schuilde.
Toen voelde ik een hand op mijn linkerschouder. Het was Jezus die me zei: ga aan boord en laat het anker vallen voordat het schip op de zandplaat strandt en doormidden breekt en deze mensen verdrinken.
Het volgende moment was ik op de luiken en worstelde me, vasthoudend aan een lijn die aan de mast gebonden was, naar het voordek, waar enorme golven overheen spoelden. Hoe ik het deed, weet ik niet meer, maar het lukte me om het anker te laten vallen door rem van de grote ankerlier los te draaien en vlak bij de zandplaat kreeg het anker grip. Goddank!
Tot zo ver de eerste droom.
Ik begreep echt niet wat het betekende, maar dát het betekenis zou hebben bleef me wel bij. Jarenlang heb ik biddend naar de betekenis gezocht zonder een clou te vinden.
Later, in een periode dat ik het heel moeilijk had met mezelf en mijn situatie, kwam de droom terug.
Ik bevond me nog steeds op de kast in zeer zwaar weer. Toen, door het stuifwater zag ik het pas toen hij dichtbij kwam, was er dat kleine onooglijke duwbootje dat uit de richting van Hansweert dichterbij kwam. Ik stond bakboord op ‘mijn’ achterdek en zag nu pas dat de achtersteven vierkant gemaakt was zodat mijn schip ook geduwd zou kunnen worden door een duwboot.
Dansend op de golven kwam het kleine duwbootje voorzichtig dichterbij. Het had een smal ijzeren stuurhutje met een voorover hangende voorruit. Op het dek achter de hut stonden twee vuile motoren te brullen boven het geraas van de golven uit. Ik zag op ‘mijn’ achterdek een aantal figuren in witte kleren (engelen?) worstelen met de zware stalen koppeldraden, totdat het duwbootje stevig vastgekoppeld was aan ‘mijn kast’. Bij het zien van dit nachtmerrieachtige schouwspel, kreeg ik een ongelofelijk ontzag voor de moed van Degene die het voor mij over had om mij hier in deze heksenketel van een wisse verdrinkingsdood te komen redden.
Nadat de koppellieren waren aangespannen begonnen de motoren weer te brullen en kwamen we weer vooruit tegen de zwaarste vloedstroom in.
(Overigens: wie het anker opgehaald heeft weet ik niet.)
Ik stapte over op de duwboot, klom het trapje op dat leidde naar de stuurhutdeur achteraan aan de bakboordkant van de stuurhut. Deed hem open en……. Ik zag Jezus. Hij zei niets, maar tuurde geconcentreerd vooruit….
Later besefte ik dat Hij niet alleen vooruitkeek, maar ook mij (mijn levensschip) onafgebroken in het oog houdt. ‘Mijn oog zal op u zijn’ wordt dan werkelijkheid…
Hij waagde zijn leven om mij te redden, nee, hij GAF zijn leven om mij te redden… Whauww!!
Ik besefte: zo vast als deze duwboot aan deze kast zit, zo houdt Jezus mij vast op mijn reis door het leven. En de mensen op de roef? Die zaten nu binnen. Het blijken de mensen te zijn die ik in mijn hart draag. Door stormen heen, door de zwaarste tegenstroom, duwt Hij mij naar mijn toekomst.
En van die toekomst mocht ik al een glimp zien: Afvarend voor Terneuzen: de nieuwe dag, prachtig ochtendlicht verlicht de stad, het water is als een spiegel en de vloed is eruit. Hoog water. Samen draaien we de veilige haven in. Ik ben binnen… De nachtmerrie voorbij, nu alleen nog genieten!!