
Een nieuw avontuur aan het begin van 2005. Gewapend met een koffer waarin een heus uniform met bijbehorende epauletten met drie strepen, stapte ik aan boord van het M. P. S. De Zonnebloem. MPS staat voor motorpassagiersschip. Als lid van de nautische bemanning (er was ook een medische bemanning) had ik twee matrozen, twee machinisten en de kapitein als collega’s. Wanneer de kap er niet was, dan had ik het voorrecht om tijdens het vrijdagse captain’s dinner aan te schuiven aan een tafel naar keuze, meestal bij oudere passagiers.

Wekelijks vertrokken we op maandagmiddag na het inschepen van de gasten en de vrijwilligers die de langdurig zieke of gehandicapte gasten verzorgden.
Vanuit Arnhem voeren we dan rustig stroomopwaarts de Rijn op voorbij Lobith, het Ruhrgebied en Düsseldorf om dinsdagmiddag aan te leggen in Keulen, waar het bij lage waterstanden hilarische taferelen opleverde wanneer de rolstoelafhankelijke gasten met drie hulpkrachten per rolstoel over de steile loopbruggen de wal op werden geloodst.
Woensdag waren we dan in Andernach, een klein maar gezellig plaatsje met een wandelpark langs de Rijn en met koperen putdeksels in de straten met kunst erop. Er was daar ook een beroemde ijssalon die bijna niemand oversloeg.
Donderdag was het klapstuk; we voeren dan de Loreley voorbij, keerden verderop bij Oberwesel om, om voor de tweede keer de beroemde 132 meter hoge rots te passeren, terug naar Koblenz, waar de middagen en avonden ook weer een feest waren.
Vrijdag was het dan in Bonn of Düsseldorf waar we aan de wal gingen met de passagiers en zaterdagmorgen meerden we dan weer af in Arnhem.

’s Maandags bij het inchecken moest iedereen aan elkaar wennen, maar naarmate de week vorderde groeide ook de saamhorigheid, de gezellige vrolijke sfeer aan boord. Het ontspannen plezier dat we hadden met gasten en vrijwilligers was er elke week opnieuw!.
En zaterdag? Dan was de Zonnebloem de Zoeneblom bij het afscheid nemen.

Ik heb heel warme herinneringen aan die tijd, vooral aan de ontmoetingen met gasten en vrijwilligers. Aan Detleff, de fotograaf die wekelijks groepsfoto’s maakte en daarvoor een stukje meevoer. Aan Ulie, de muzikant die elke week een avond aan boord de boel vermaakte, wat meestal uitliep op een hilarische polonaise, maar ook persoonlijke gesprekken met gasten hebben me vaak geroerd.

En de uitjes, naar de wal met rolstoelen en bedden op wielen, overal zag je dan de zelfde schotse dekentjes over de knieën van de genietende gasten.
Zelfs nadat ik De Zonnebloem al lang had verlaten, terwijl ik met mijn gezin in de dierentuin in Arnhem was, werd ik nog een keer door iemand in een rolstoel geroepen: ‘Hé kapiteintje!’.
Met de oudste machinist had ik een vertrouwensband, maar met de rest van de nautische bemanning was het anders, niet altijd even leuk. Mij was een vaste aanstelling beloofd, maar om onduidelijke redenen werd mijn eerste halfjaarcontract niet verlengd. Helaas.

Ik was teleurgesteld, maar niet ontmoedigd. Toen een collega me vroeg of ik niet ontzettend boos was gaf ik als antwoord: ‘Ach, ik dien een God die altijd voor mij gezorgd heeft. Dat zal Hij ook ergens anders doen.’ Hij was verbaasd. En ik vervoegde me bij het UWV en schreef me in bij verschillende afloscentrales, zoals uitzendbureaus heten voor de scheepvaart.
